Onder mijn bed

Ik pak de koffer met dezelfde nonchalante houding als ik mijn handtas pak voor ik naar de supermarkt vertrek. Ik ben dit gewend.
In de auto neurie ik zachtjes mee met de muziek. Een gewone dag.
Op spoedgevallen worden we vriendelijk welkom geheten. “Hoi Thijme, weer terug?” Niks speciaals.
Op de afdeling toont een bekend gezicht ons een bekende kamer. Ze hoeft niets uit te leggen. We kennen het wel.
Ik begin spontaan mijn telefoontjes af te werken: ik verwittig heel wat mensen en regel wat praktische zaken voor de andere kinderen. Niemand schrikt. Routine, meer is het niet.
Terwijl de spoeling zijn werk doet, vullen we onze dagen met gezelschapsspelletjes. Uno is onze favoriet. Standaard tijdverdrijf.
Ik heb snel gereageerd, met wat geluk mogen we overmorgen naar huis. Zeven dagen maar, dat stelt niet zoveel voor.

Ik herinner me nog de eerste keer.
Bibberend in de auto met een kind van achttien maanden. Huilend op spoedgevallen, overweldigd door wat ze met hem deden. Op van verdriet omdat mijn zoon in het ziekenhuis lag. Mensen die schrokken als ik belde en meteen alles lieten vallen om langs te komen. Ik smeekte dokters om dit echt nooit meer te laten gebeuren. Vijf dagen ziekenhuis leken toen een eeuwigheid. Meer zouden noch Thijme, noch ik zonder kleerscheuren doorstaan.

De film Scream was ooit een horror-hit. Ik was een jaar of zestien toen ik voor het eerst mocht kijken. Ik vond het vreselijk. Een vriendin kwam met de oplossing: “We zetten die film zo vaak op, tot het niet meer akelig is. Een horrorgewenningskuur.” Na vijf keer kon ik er inderdaad gewoon naar kijken. Ik schrok niet meer als dat enge masker in beeld kwam, dook niet weg als de muziek scherp een nieuwe moord aankondigde. Maar de rest van de dag bleef ik wel overal dat masker zien. ’s Nachts zat er telkens opnieuw een engerd met een mes onder mijn bed. Hoezeer ik mezelf ook geruststellend vertelde dat het opspattende bloed standaard was, de spanning kroop elke keer diep onder mijn huid. Ik kan nog altijd niet naar een andere horrorfilm kijken.

Ik sluit hier af.
Thijme is onrustig.
Onder mijn bed zit een engerd met een mes.

 

IMG_8149

 

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , | 8 reacties

Warme blik

We worden bekeken. Ik ben dat op zich wel gewend. Een relatief jonge vrouw met vier kinderen die telkens maar een jaar in leeftijd schelen: dat vraagt om bekijks. Zeker als twee van die kinderen een hoofdtelefoon dragen en af en toe schreeuwen of boos worden op een manier die eigenlijk niet meer bij hun leeftijd past. Eerlijk, we worden op dat eigenste moment weer door heel wat mensen bekeken. Nieuwsgierig. Verwonderd. Kritisch. Stiekem. Maar zo kijkt zij niet. Zij kijkt zacht en warm. Openlijk, zonder schroom. Ik geniet van haar blik.

Ik kijk zelf ook naar mijn kwartet. Ze zijn prachtig, daar aan dat tafeltje in de Quick. Ze schateren als Renze een friet in zijn neus steekt. Zo hard dat het hele restaurant zwijgt. Ik kan niet anders dan mee lachen. Dieuwke zegt wel tien keer: “Ik wou Quick he, omdat ik morgen verjaar, dus door mij zitten jullie hier!” Na de elfde keer (en dat weet ik omdat Renze heeft geteld) roept Thijme geënerveerd: “Zeg, nu weten we het wel! Stop daar mee!” Ik lach opnieuw, voor ik voorkom dat de boel escaleert.

Ze blijft kijken. Als ik haar blik beantwoord, glimlacht ze alsof ik haar al jaren ken. Even verwacht ik dat ze zal recht springen en zal roepen: “Maar dat is lang geleden!” De vertrouwdheid blijft echter in haar ogen alleen. Dus draai ik me terug naar mijn kroost. Aukje eet gulzig, alsof ze dagen niks gekregen heeft. Renze morst ketchup op zijn broek en herhaalt als een mantra tegen zichzelf: “Niet erg, niet erg, niet erg.” Ik ben net op tijd met een servet bij hem om een crisis te voorkomen. Thijme stopt al snel met eten omdat hij buikpijn heeft. Geobstipeerd, opnieuw. Ik stel een bezoek aan spoed en een daaropvolgende opname nog enkele dagen uit om de verjaardag van zus te kunnen vieren. Ik ken zijn lichaam beter dan dat van mezelf dus weet dat het nog even kan.

Ze is wat achterover gaan zitten en kijkt nog ongegeneerder dan daarnet. Nog warmer ook. Ik begin in mijn geheugen te graven of ik haar echt niet ken. Ik vind niet meteen een herinnering. “Ik wil dat mannetje van Playmobil!” Thijme gromt zachtjes en ademt zwaar. Er komt een crisis aan. Ik slaag erin hem te kalmeren en zeg hoe fier ik op hem ben. Fier omdat hij zo rustig blijft. Net zoals ik fier ben op Renze omdat hij flink op zijn stoel blijft zitten zonder fladderen. En fier ben op Aukje omdat ze alles opeet, met een dikke boer er achterna. En fier ben op Dieuwke omdat ze de volgende dag zeven wordt. Zeven, verdamme, zeven al.

Als de ijsjes al gretig worden verorberd, staat ze op. Haar man draagt hun plateau en loopt langs de andere kant. Zij passeert bewust langs ons tafeltje. Ze stopt en legt haar hand op mijn schouder. “Mag ik even onbeleefd zijn? Hebben de jongens autisme?” “Ja, hebben ze inderdaad.” “Ik dacht het al, ik werk met kinderen met autisme.” Haar blik wordt nog zachter, ik wil me er bijna in neervlijen. “Toen je binnenkwam, zei ik tegen mijn man: ‘Zo dapper van die vrouw, helemaal alleen naar hier komen met die vier kleine kinderen, waarvan sowieso twee met autisme.’ Maar nu ik je heb bezig gezien… Echt, petje af.”  Ze knijpt nog even in mijn schouder, lacht een laatste keer zo warm dat ik de gure lente helemaal vergeet, en wandelt buiten. Dieuwke trekt aan mijn mouw: “Mama, ken jij die mevrouw?” “Nee”, zeg ik, “Ik denk het niet.”

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , | 9 reacties

Om bestwil

Vaporeon ligt voor me op tafel. De ene helft ingekleurd, de andere helft nog verblindend wit. Thijme zit tegenover me. In volle concentratie probeert hij Charmander perfect te kleuren ‘zoals dat in het echt is’. Af en toe controleert hij op de afbeelding op mijn iPhone waar precies rood moet, en waar geel. Renze neemt op zijn beurt Espeon onder handen. Hij werkt net zo waarheidsgetrouw als zijn broer. Plaats voor fantasie of eigen toevoegsels hebben mijn zonen niet. Maakt ook niet uit, we genieten elk op onze manier. Het is zo’n gezapig moment waarop het elk apart bezig zijn ons heerlijk samenbrengt.
“Mama, ik heeft een walvis getekend! Vind jij die mooi?”
Aukje is naast me verschenen en toont fier een rondje met een bolletje in. En warempel, met mijn ogen een beetje dichtgeknepen, herken ik zelfs een walvisstaartachtig ding aan haar creatie.
“Zo goed! Echt een walvis, met hier het oogje en daar de staart!”, zeg ik enthousiast. Aukje straalt net zo hevig als het geel van Charmander.
Thijme’s aandacht is ook getrokken. Hij kijkt naar de tekening en roept fel: “Bah, zo lelijk! Dat lijkt niet eens op een walvis.” Gelukkig heeft mijn compliment Aukje zo doen zweven, dat ze alweer verdwenen is om aan de salontafel een nieuwe walvis te laten verschijnen. Ik draai me verontwaardigd naar Thijme.
“Waarom zeg jij dat nu?”
“Omdat het waar is, dat is toch echt niet mooi. Aukje tekent als een baby.”
Ik zucht, me veel te bewust van het feit dat de discussie die ik nu zal aangaan op voorhand verloren is.
“Ken je een leugentje om bestwil?”
“Nee.”
“Wel, dat is dus liegen, maar dan liegen om lief te zijn.”
Renze mengt zich nu ook in het gesprek.
“Liegen mag nooit!”, zegt hij. Thijme valt hem bij: “Nee, dat mag echt niet.”
“Maar soms wel. Net bijvoorbeeld kon je liegen en zeggen dat je de tekening wel mooi vond, om Aukje blij te maken. Dat is dan een leugentje om bestwil.”
“Is liegen, mag niet.” Thijme en Renze zijn vast overtuigd.
“Oke, stel nu: ik heb een rok aan en mijn poep lijkt daarin vreselijk dik. En ik vraag: is mijn poep dik in die rok? Wat zeg je dan?”
Nu kijken de jongens elkaar aan alsof ze het in Keulen horen donderen. Wat vraag ik ook van hen? Voorstellingsvermogen en sociaal inzicht in één vraagstelling? Ik moet toegeven: echt auti-vriendelijk ben ik niet. Nadat de twee schaterlachend aan elkaar hebben bevestigd dat de woorden ‘dikke poep’ hilarisch zijn, probeert Thijme toch: “Ik zou zeggen dat je poep dik is.”
“Maar dan ben ik verdrietig.”
“Maar je poep is dik en ik mag niet liegen.”
“Trouwens”, zegt Renze, “Eigenlijk is je poep echt dik en dat zeggen wij toch ook gewoon?”
“Dat is waar, jullie zeggen dat gewoon”, bevestig ik lichtjes beledigd. “Maar ik zou het fijn vinden als jullie even zouden liegen om mij blij te maken.”
“Doen we niet, mag niet”, zeggen ze opnieuw in koor.
Ik kleur verder, in stilte, terwijl ik nadenk over een volgend dieet. Ik ben wederom verslagen door mijn eigen zonen.

Enkele dagen later zit Thijme naast me als Dieuwke haar mandala, die ze met engelengeduld heeft gekleurd, komt tonen.
“Amai, Dieuwke, dat heb je mooi gedaan! Zoveel kleine stukjes allemaal apart ingekleurd. Knap!”, prijs ik haar.
“En Thijme, vind jij het mooi?”, vraagt ze.
Thijme twijfelt, langer dan nodig, en zegt dan heel traag en onzeker: “Ja?” Het klinkt zo geforceerd dat ik mijn lach amper kan inhouden. Maar Dieuwke is blij: haar grote broer houdt van haar werk.
“Thijme, zo goed! Ik weet dat je mandala’s niet leuk vindt en toch zei je van wel!”
“Bestwil”, zegt hij overtuigd. “Ah ja, als ik tegen Dieuwke zeg dat ik haar tekening lelijk vind, begint ze te schreeuwen. En daar krijg ik vreselijke koppijn van! Dus heb ik gelogen om mezelf geen koppijn te geven. Da’s bestwil, he?”
“Bijna, lieve schat. Bijna.”

IMG_7981

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , | 2 reacties

Dag!

IMG_7973

De parking. Twee eindeloze rijen auto’s tegenover elkaar. Grenzend aan de straat aan de ene kant en aan een grasveld aan de andere.
De bomen. Op het grasveld aan de parking. Van zomers groen, naar herfstig rood, tot winters bruin. De voorbije weken lentewit. Even hun pracht laten zien, alsof ze er bewust voor kozen om van de fleurige bloesems onze laatste herinnering te maken.
Het pad. Lang, recht, eentonig naast de bomen. Tijdens donkere, koude winteravonden bewandeld met mijn ogen dicht. De koude lucht die mijn longen dichtschroeide. Die me even deed vergeten waar ik was en wie ik achter liet. In het zonlicht met hem naast me. Het was duidelijk korter als hij me vergezelde.
De konijnen. Onder de container naast het pad naarstig gravend naar een volgende pijp. Als we stil waren, zittend op het pad. Even opkijkend en dan verdwijnend. Veilig weg in een zelfgegraven woning. Ze vroegen ons nooit mee.
De deur. Het eindpunt van de konijnen. Niet duwen, wel trekken. Elke eerste keer verkeerd. Soms het einde, soms het begin. Een glazen deur met meer betekenissen dan een deur hoort te hebben.
De gang. Perfect als gang: je laten vergeten dat je door de ene deur kwam en dat de volgende alweer wachtte.
De kamer. Aan de volgende gang. De kast meteen rechts. Het bed links. Achter de kast de lavabo. Zeven maanden lang ‘zijn’ kamer. De witte muren en witte lakens ondertussen gekleurd in honderden tinten in ons hoofd.
De koeien. Het uitzicht vanuit zijn kamer. “Ze stinken!”, zei hij vaak. “En soms spelen ze rare spelletjes.” Ik hield niet van koeien, maar van deze wel.
De leefgroep. Van de koeien, naar de kamer, door de gang. Keuken, tv, zetels, eettafel. Een modern huis in klein formaat. En toch nooit thuis.
De begeleiding. In de leefgroep. Constante gezichten in een zo gestructureerd mogelijke dag. Zoekend naar wat paste. Bij hem. Bij zijn autisme. Bij zijn ziek zijn.

Ik ga hem halen. De laatste keer. Ontslag uit kinderpsychiatrie. “Ik ben zo fier op jou! Ben jij blij?” “Ik mag niet echt naar huis, dan blijf ik liever hier.” Hij weet dat de volgende instelling wacht. Toch oogt hij vrolijk. Dag begeleiding. Dag leefgroep. Dag koeien. Dag kamer. Dag gang. Dag deur. Dag konijnen. Dag pad. Dag bomen. Dag parking. In de auto kijk ik hem aan. De gedachten, emoties en herinneringen razen door mijn hoofd. “Toch raar, vind je niet?” “Wanneer mag ik thuis Pokémon spelen?”

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Wereld Autisme Dag: plaats voor begrip

“Die kan toch geen autisme hebben: die maakt oogcontact.”
“Tegenwoordig hebben ze allemaal iets!”
“Die van mij is ook soms stout hoor, daar loop ik niet voor naar een kinderpsychiater.”
“Tja, een beetje zelf gezocht natuurlijk: jij hebt ze laten vaccineren.”
“Die kan toch geen autisme hebben: die is veel te slim.”
“Oei, in kinderpsychiatrie? Wat heb je fout gedaan?”
“Geef die maar eens een week aan mij, het zal rap gedaan zijn!”
“Ik ben zo blij dat ik geen autisten heb. Vreselijk, als je kind niet in staat is om je graag te zien.”
“Die kan toch geen autisme hebben: kijk hoe die knuffelt.”
“Ik heb gelezen dat suikers autisme veroorzaken. Geef ze eens minder suiker, dan zijn ze direct genezen.”
“Door constant alles te verduidelijken en overzichtelijk te houden, maak je je kinderen net autistisch.”
“Die kan toch geen autisme hebben: die praat.”
“Ik heb zeker ook autisme: ik kan er niet tegen als de kussens uit de zetel liggen. Maar ik moet ook mee met de maatschappij.”
“Als ze een hoog IQ hebben, is hun autisme niet zo erg.”
“Moet die hoofdtelefoon? Zo ziet hij er ineens wel heel autistisch uit.”
“Ben je zeker van dat autisme? Hier was hij nochtans braaf.”

Een kleine selectie uit de vele kwetsende reacties die ik de voorbije jaren op de diagnose van mijn jongens kreeg. Vandaag, twee april, is Wereld Autisme Dag. Bewustzijn, verspreiding van kennis, aandacht voor een verborgen handicap: hopelijk wordt dat weer een beetje bereikt, zodat uitspraken als hierboven stilaan plaats maken voor begrip. Want wat vandaag één dag extra aandacht krijgt van de massa, is voor zoveel mensen elke dag opnieuw een belangrijk aspect van hun leven.

(Renze vraagt zich trouwens af of hij, net als op zijn verjaardag, kado’s zal krijgen. En vindt dat iedereen hem een ‘gelukkige autismedag’ moet wensen. Heerlijk kind, toch? En ja, hij praat! 😉 )

 

IMG_7895

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | 6 reacties

Verdiend

“Wat heb jij vandaag gedaan, mama?”
Acht ogen kijken me via de achteruitkijkspiegel nieuwsgierig aan. Ik glimlach op voorhand, wetende dat het herhalen van mijn eerdere woorden consternatie zal uitlokken bij mijn toehoorders.
“Ik ben vandaag met haar gaan praten. Best lang eigenlijk, we hadden heel wat te bespreken.”
De ogen worden alle acht groter, de vier onderliggende mondjes vallen gelijk open. Thijme reageert, zoals ik had verwacht, het eerst.
“Wat? Dat is niet eerlijk! Ik wil haar ook zien. Waarom praat je nooit met haar als wij thuis zijn?”
“Omdat ik dan de kans niet krijg om te praten”, antwoord ik naar waarheid.
“Ik wil nog eens Uno met haar spelen!”, voegt Renze toe. “Of Monopoly. Hè, Thijme, dat doen wij graag met haar.”
Thijme knikt instemmend, zijn hoofd beweegt komisch overtuigend van boven naar beneden.
“Ik wil haar laten zien hoe goed ik heb geknutseld in mijn boek”, zegt Dieuwke. “Want ze houdt van mijn tekeningen.”
“Hebt ze haar Mega Mindy- ring aan?” vraagt Aukje daar meteen achterna.
“Ik wil pannenkoeken met haar eten!”, roept Thijme plots.
“Of een Kinder Surprise!” stelt Renze voor.
“Jaaaa, een Kinder Surpise! Wij willen haar ook zien!”, klinkt het deze keer in koor.

Die avond springt een vriendin even binnen. Ik vertel haar enkele flarden van mijn gesprek voormiddag en voeg er de schattige reacties van mijn kinderen aan toe.
“Ik zou jaloers zijn.”
Ze meent het, dat is duidelijk.
“Ik zou er niet tegen kunnen, iemand die mij komt vertellen hoe ik mijn kinderen moet opvoeden en die daarbij ook nog eens de onvoorwaardelijke liefde van mijn kroost cadeau krijgt. Mijn kinderen, mijn manier.”
“Kan ik ook niet tegen.” Ze fronst. Ik zet mezelf wat kracht bij.
“Echt niet. Ik heb zoveel begeleiding, therapeuten en psychologen de deur gewezen omdat ze of Thijme, of mij niet snapten. Ik verdroeg het niet, hun naïeve, drammerige advies. Moest Thijme, met zijn aanslepende probleem, maar gewoon eens flink kaka doen. Of moest ik, de chaos zelve, plots de meest gestructureerde mama op deze aardbol zijn.”
Nu verslikt mijn gesprekspartner zich bijna in haar wijn.
“Jij? Gestructureerd? Jij bent het meest onmogelijk impulsieve mens dat ik ken.”
“Precies! En dat kan dus bij haar. Ik hoef niet te doen alsof ik volgens schema’s leef. Ik mag gewoon mezelf zijn. En als ze afkomt met lijstjes of structuur, mag ik heel diep zuchten. Of zelfs heel hard lachen. Dat is oké. Ik, als mezelf, ben oké. Net zoals mijn kinderen, als zichzelf, oké zijn.”
“En lost dat iets op?”
“Zeg het haar nooit, maar ze verricht wonderen. Na al die jaren krijgt ze stap voor stap precies van mij gedaan wat nodig is. Net omdat ze me eerst laat zuchten en lachen. Ze weet hoe ze me moet aanpakken en ik laat haar begaan.”
Even is het stil. De vriendin hervat het gesprek.
“Klinkt…” Ze zoekt naar woorden.
“Warm. Vertrouwd. Als een opluchting. Als een van de weinige dingen die de voorbije jaren exact op hun plaats zijn gevallen”, vul ik aan.
“Als ik je zo hoor, wil ik ook zo’n RTH- begeleidster. Die vrouw kan en met je vier kinderen met een problematiek, en met jou werken. Ze verdient een medaille.”
“Ze krijgt de onvoorwaardelijke liefde van mijn kinderen al.” Ik draai mijn glas voorzichtig tussen mijn vingers.
“En die heeft ze verdiend.”

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , | 6 reacties

Zelfcensuur vergeten: de dag dat ze over geld schreef.

Ik censureer mezelf voortdurend in deze blog. Er zijn nu eenmaal feiten, gebeurtenissen en gedachtes die het wereldwijde web echt niet moeten halen. Eén daarvan komt dadelijk toch aan bod. Ik weet niet of het een goed idee is, het plaatsen, maar ik heb besloten impulsief te schrijven en nog impulsiever op dat ‘publiceer’-knopje te drukken. Om een reden die even simpel is als geniaal: het hoort er bij. Bij het autistische kind soms, bij het chronisch zieke kind bijna altijd.

Vreemd is het. Omgekeerd evenredig. Hoe minder we het nodig hadden, hoe meer het binnen kwam. Allebei in het bezit van een bachelor-diploma en een goed betaalde job werd onze rekening maandelijks flink gespijsd. Er werd bijgebouwd, een nieuwe keuken gezet, af en toe een weekendje geboekt, wat aan de kant gehouden. Ik had nog geen vaste plek in het onderwijs (een sarcastische dank je wel aan het systeem), maar had de term ‘grootste onderscheiding’ op mijn diploma staan en aan interims eigenlijk geen gebrek. Die TADD kwam wel, vooral geen zorgen.

Dan werd hij ziek, onze grootste held. Voorzichtig sloop het binnen. Van af en toe naar het ziekenhuis, tot het idee dat we een buitenverblijf hadden gewonnen met de loterij der ongelukkigen. Als surplus kwamen er diagnoses bij de jongens. Afspraken met hulpverleners, artsen en instellingen tijdens opnames. Actief deelnemen aan een dagbehandeling, brengen en halen naar k-diensten en bezoek waar je toch altijd wil zijn. Ik moest steeds vaker afhaken op mijn werk. Ik heb het ooit anders gedaan. Thijme in het ziekenhuis en ik die bij hem bleef, maar tijdens schooluren hem alleen liet om te gaan werken. Om collega’s, directies en kinderen toch maar niet teleur te stellen. Tot ik besefte dat ik mijn zoon teleurstelde. En mezelf. Dus werkte ik minder. Eerst halftijds. Dan wat resturen hier en daar. Dit schooljaar even helemaal niet. Prioriteiten stellen, ’t is niets anders dan dat.

Hoe minder het binnenkwam, hoe meer we het nodig hadden. De kosten stapelden zich op. Sommige uitgaven zijn vanzelfsprekend. Iedereen snapt dat meneer de professor ereloon telt. Een psychologe is per sessie te betalen, de eerste negen half terugbetaalde sessies waren er snel door. Ziekenhuisrekeningen worden nooit volledig door de verzekering gedekt. Testtrajecten kosten ook best wat. Tot daar heb ik meestal iedereen mee. Maar het zijn de verborgen kosten die het echt zwaar maken. Want nee, niet alle medicatie wordt vergoed. Op dit moment betalen wij enkele honderden euro’s per maand aan laxeermiddelen. Een bedrag waarin de ziekenkas weigert tussen te komen. En ja, een groot deel van het kindergeld voor Thijme gaat rechtstreeks naar het MFC waar hij verblijft. En nee, die incontinentieforfait dekt de pamperkost niet. En ja, mijn auto is  terminaal omdat ik meer kilometers heb gereden de voorbije jaren dan iemand die voor zijn werk het traject Limburg-Brussel dagelijks aflegt. Alleen kreeg ik noch een bedrijfswagen, noch een kilometervergoeding. Niets aan te doen: ziekenhuizen en instellingen groeien nu eenmaal niet in onze tuin.

Er zijn instanties en premies, ik hoor het jullie al denken. Opnieuw stel ik jullie teleur. De opmerking: “Maar zijn ziekte heeft niet echt een bekende naam, dus we kunnen niet zoveel doen”, heb ik al tig keer gehoord. Ook de invloed van autisme op een gezin wordt nog vaak onderschat. Het beste voorbeeld daarvan is de controlearts voor verhoogd kindergeld die letterlijk zei: “Mevrouw, autisme is niet meer dan een term voor verwende kinderen waarvan de ouders de maatschappij ervoor willen laten opdraaien.” Een jaar later voegde hij daar aan toe: “Nu heeft hij een gat in zijn buik, dan wil ik wel iets extra geven. Niet heel veel he, hij kan niet kakken, dat is geen echte ziekte natuurlijk.”

Na de ziekenhuisopname van vorige week werd Thijme naar Amsterdam doorgestuurd. Er zijn beginnende obstructies aan zijn dunne darm door de talloze buikoperaties en de dosissen Forlax die hij moet nemen om niet elke maand geobstipeerd te raken, zijn angstaanjagend hoog. In de Nederlandse hoofdstad zit de grootste obstipatie-specialist wereldwijd. De verwijsbrief werd verstuurd, een antwoord werd ontvangen: we krijgen een afspraak, op voorwaarde dat we het ereloon van meer dan vierhonderd euro op voorhand storten. We doen het. We kunnen het gelukkig nog net. Voor hoelang? Dat zien we wel weer.

 

IMG_7859

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | 7 reacties